De invloed van sociale media op jongeren: ‘Die algoritmen kennen jou beter dan dat jij jezelf kent’

Tekst: Sofie Jansen
Meer dan de helft van de Utrechtse jongeren ervaart regelmatig druk, een percentage dat beduidend hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Bovendien beoordeelt slechts de helft van de Utrechtse jongvolwassenen hun eigen mentale gezondheid als goed. In de nieuwe serie ‘Generatie Druk’ van HUB Utrecht wordt iedere aflevering een ander aspect van de druk op de Utrechtse jeugd belicht.
De invloed van sociale media op jongeren: ‘Die algoritmen kennen jou beter
dan dat je jezelf kent’
Sociale media zijn niet meer weg te denken uit de levens van jongeren. Bijna negen op de tien scholieren in het voortgezet onderwijs gaf in 2023 aan dagelijks gebruik te maken van sociale media, blijkt uit het Peilstationsonderzoek Scholieren 2023. Deze aflevering richt zich op de keerzijde van dat social media gebruik, specifiek de verslavende dynamieken die sociale media met zich meebrengen. Zorgwekkende cijfers van GGD Regio Utrecht tonen een trend: het risico op problematisch gebruik van sociale media steeg van 7% in 2019 naar 12% in 2023. Het eerder genoemde Peilstationsonderzoek 2023 laat bovendien zien dat problematisch gebruik bijna twee keer zo vaak voorkomt bij meisjes (6,2%) als bij jongens (3,3%).
‘Je moet beschikbaar zijn’
Rafael Taapken, projectleider bij Stichting JOU (Jongerenwerk Utrecht), gaat regelmatig met Utrechtse jongeren in gesprek over de verslavende werking van sociale media. De jongerenwerker komt op Utrechtse scholen, in buurthuizen en op straat regelmatig in aanraking met de doelgroep die de verslaving het vaakst treft.
“Je ziet vaak dat jongeren elkaar verslaafd maken.” Het veelvuldig gebruik van sociale media is veelal een kwestie van erbij horen, legt Taapken uit. Je moet beschikbaar zijn, anders mis je dingen. “Je moet wel kunnen meepraten, denken jongeren dan.” Niet alleen van hun leeftijdsgenoten voelen jongeren de verwachting om constant beschikbaar te zijn. Ook ouders verwachten vaak dat er snel gereageerd wordt, legt Taapken uit. “Een appje met ‘hoe laat ben je thuis’ of ‘eet je vanavond mee’ lijkt relatief onschuldig, maar uiteindelijk draagt het allemaal bij aan die druk.” Taapken: “Er zit eigenlijk geen eind aan, en dan hebben we het nog niet eens over de algoritmen van TikTok.”
Collega Renée Sjamaar begeleidt jongeren individueel bij Stichting JOU. Bij haar trekken er regelmatig jongeren aan de bel die niet tevreden zijn over hun schermgebruik. “Je ziet heel vaak dat jongeren niet eens meer weten wat ze buiten school moeten doen, in plaats van op hun telefoon zitten.” Als je jongeren vraagt wat vermaak eigenlijk nog inhoudt zonder telefoon, blijft er weinig over.
Controleverlies en gevolgen
Dr. Regina van den Eijnden, hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, is gespecialiseerd in onderzoek naar problematisch gebruik van sociale media onder jongeren. Zij adviseerde in 2024 de Tweede Kamer over de verslavende elementen van de sociale media-industrie. Van den Eijnden onderzocht bovendien de impact van deze verslavingen op het mentale en psychosociale welzijn van jongeren.
In 2014 begon dr. Regina van den Eijnden aan een uitgebreid onderzoek naar de verslavende werking van sociale media. Want hoewel het duidelijk was dat veel jongeren door sociale media wel degelijk verslaafd raakten, was er nog geen instrument om die verslaving ook daadwerkelijk te meten. Met een team van onderzoekers ontwikkelde Van den Eijnden de Social Media Disorder Scale.
“We hebben heel erg gekeken naar hoe verslaving in het algemeen gedefinieerd wordt, specifiek de gedragsverslavingen. Daar zijn gokken en gamen de bekendste voorbeelden van”, legt Van den Eijnden uit. “In die tijd had je wel een definitie voor ‘internet game addiction’, met negen criteria die een reflectie zijn van gameverslaving. Die criteria hebben wij gebruikt om ook sociale mediaverslaving te definiëren.”
Inmiddels zijn de definities wat geschoven en aangepast, maar over het algemeen zijn er twee belangrijke componenten van sociale mediaverslaving aan te wijzen, legt Van den Eijnden uit. “Het komt erop neer dat er sprake moet zijn van controleverlies. Je bent zelf niet in staat om dat gedrag [het gebruiken van sociale media] te veranderen. Je zou wel willen, maar dat lukt niet.” Je spreekt van verslaving, als dat controleverlies vervolgens voor problemen gaat zorgen. “Dus het moet ook eenduidig zijn, dat het negatieve consequenties heeft.” Daarbij doelt Van den Eijnden op de gevolgen die veelvuldig gebruik van sociale media voor zowel het dagelijks leven van de jongeren zelf als voor de maatschappij heeft. “Die twee eigenlijk, voor de persoon zelf of voor de maatschappij, die moeten in ieder geval
duidelijk aanwijsbaar zijn.”
Van den Eijnden en haar team legden die negatieve effecten, die soms pas op lange termijn meetbaar waren, de afgelopen tien jaar uitgebreid onder de loep. Op het gebied van mentale gezondheid, merkten de onderzoekers dat jongeren die voldeden aan de criteria voor een sociale mediaverslaving, sneller depressieve klachten hadden. “Maar we hebben ook naar cognitieve functies gekeken en naar slaap. Ook op die gebieden, bijvoorbeeld concentratie, hebben we negatieve effecten van sociale mediaverslaving gevonden.”
Strijd tegen de algoritmeval
Dat bedrijven achter de grote platforms alles op alles zetten om gebruikers vast te houden, is helaas geen nieuws. “Hoe meer je erop zit, hoe beter de algoritmen leren wat jij echt interessant vindt. Dus die algoritmen kennen jou veel beter dan je jezelf kent.” De opkomst van algoritmen hebben de grootste consequenties gehad, legt Van den Eijnden uit, maar daarvoor waren het ook de ‘likes’, die de sociale bevestiging stimuleerden. En de eeuwige notificaties, die je niet kan missen.
Hoewel voor veel bedrijven achter de grote sociale media tegenwoordig strenge regels vanuit de Europese Unie gelden, ziet Van den Eijnden de strijd tegen de zogeheten algoritmeval somber in. “Uiteindelijk zijn er natuurlijk ook bij software of bij de verschillende sociale media platforms echt heel veel psychologen in dienst die daar aan bijgedragen hebben”, legt ze uit. “De kennis die wij hebben, die hebben zij natuurlijk ook en daar is veel meer geld dan in de wetenschappelijke wereld, dus uiteindelijk verliezen we dat altijd.”
Kwetsbare groepen
Met haar uitgebreide onderzoek naar de verslavende werking van sociale media, ontdekte Regina van den Eijnden dat persoonlijke factoren een grote rol spelen in het risico op zo’n verslaving. “Het zijn vaker meisjes, sowieso, maar ook mentaal kwetsbaardere jongeren raken sneller verslaafd. Ze zijn niet helemaal happy met hun sociale leven, of voelen weinig aansluiting met anderen, en daardoor zitten ze veel meer op sociale media.” Jongeren die last hebben van depressieve klachten, bijvoorbeeld, blijken vatbaarder te zijn.
Van den Eijnden wist in haar onderzoeken nog twee andere risicogroepen te onderscheiden: “De groep die nogal impulsief is en al wat concentratieproblemen heeft, dat is een duidelijke risicogroep. Dus als je al impulsief bent en weinig zelfcontrole hebt, dan is het ook heel moeilijk om die telefoon neer te leggen en ben je gevoeliger voor die verslavende elementen van sociale media.”
Ook het vertonen van narcistische kenmerken bij jongeren blijkt een voorspellende factor voor een sociale mediaverslaving te zijn. “Het idee daarachter is dat die jongeren natuurlijk heel veel zelfbevestiging nodig hebben. Of bevestiging van anderen, ze zijn kwetsbaar in hun zelfbeeld”, legt Van den Eijnden uit.
Tot slot speelt omgeving een grote rol: kinderen van gescheiden ouders, bijvoorbeeld, vormen een risicogroep, legt Van den Eijnden uit. En wanneer ouders van kinderen die al last hebben van concentratieproblemen en impulsiviteit niet ingrijpen, ontwikkelt zo’n verslaving vaak een stuk sneller. “Dat gebrek aan zelfcontrole kunnen ouders toch een beetje compenseren door van buitenaf regels op te leggen en mee te kijken.”
Identiteit wordt bepaald door sociale media
Vanuit zijn verleden als hulpverlener heeft Taapken vaak ervaren hoe persoonlijke factoren de verslavende werking van sociale media bij bepaalde groepen extra versterken. “Ik heb vaak gezien hoe jongeren hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun leven online. Jongeren hadden soms iets van: ‘online heb ik veel vrienden dus ik ben populair’, waar ze in het dagelijks leven eigenlijk niemand hadden om mee te praten.” Taapken zag hoe jongeren hun zelfbeeld lieten bepalen door de hoeveelheid likes die ze op Instagram kregen en hoe lang de ‘streak’ (achtereenvolgende dagen dat er foto’s heen en weer gestuurd zijn) op Snapchat was. “Dat hadden ze echt nodig om te overleven.”
Sjamaar begeleidt net als Taapken de zogeheten ‘BOOST’ groepen binnen de Utrechtse organisatie: groepen waar jongeren terecht kunnen die tegen mentale uitdagingen aanlopen. Binnen die ‘BOOST’ groepen ziet ze eenzelfde trend als dr. Van den Eijnden: kwetsbare jongeren zoeken op sociale media naar lotgenoten, juist als ze slecht in hun vel zitten. Soms kunnen jongeren daarbij op de meest donkere hoeken van platforms als TikTok of Instagram terecht komen. “Dat kunnen hele donkere foto’s met zware teksten zijn, bijvoorbeeld. Daarin kunnen ze compleet worden meegesleurd.”
Jongeren zien het zelf te laat
Op het moment dat jongeren bij Sjamaar aangeven dat ze het lastig vinden hun telefoon weg te leggen, is het kwaad meestal al geschied. “Ze zeggen dan dat ze niet meer zoveel op hun telefoon willen zitten, maar echt verslaafd zouden ze zichzelf niet noemen.” Taapken bevestigt dit: “Jongeren komen er vaak pas te laat achter dat ze wel degelijk verslaafd zijn.” “Bij jongeren bij wie het echt problematisch is zoeken we de samenwerking met de verslavingszorg op”, legt Taapken uit. Stichting JOU geeft ook trainingen voor Utrechtse ouders, over hoe zij het gesprek aan kunnen gaan over het gebruik van sociale media. “En soms is het meer een-op-eenbegeleiding”, voegt Sjamaar toe. “Dan proberen we niet van 10 uur schermtijd direct naar 4 uur schermtijd te gaan, maar bouwen we het langzaam met stapjes af.” Ook zoekt JOU samen met jongeren naar alternatieve bezigheden, “vermaak zit in zo veel meer dingen dan alleen die telefoon.”
