Kaalscheren, internering en een levenslang trauma, het verhaal van de moffenmeiden in Utrecht

De euforie van de bevrijding was in heel Utrecht te voelen. Op 7 mei reden de Canadese troepen over de Biltstraat de stad binnen. De oorlog was eindelijk voorbij! Maar terwijl het feest gaande was, verloren elders in de stad vrouwen hun haren. Vrouwen die met Duitse soldaten omgingen, de zogenoemde moffenmeiden, werden publiekelijk vernederd en kaalgeschoren. Sommigen belandden in vrouwenkamp Fort de Bilt, waar de omstandigheden zwaar waren.
Door: Karlijn ten Cate
Overal in Utrecht werden vrouwen uit huis gehaald en onderworpen aan de tondeuse of schaar. Soms tot bloedens toe en ook nog ingesmeerd met pek. De slachtoffers werden moffenmeiden genoemd: “een scheldwoord voor vrouwen die een relatie hadden met een Duitse soldaat”, zegt Rianne Oosterom. Journalist, historicus en schrijver van het boek Moffenmeiden.
“Het kaalscheren was eigenlijk een soort reinigingsritueel om af te rekenen met de zogenaamde foute elementen in de maatschappij.” De heftige straf trof overigens niet alleen vrouwen die liefdesrelaties met Duitse militairen hadden. “Ook wie slechts vriendschappelijk met een Duitser omging of met hem flirtte, was verdacht. Maar ook NSB-vrouwen waren het slachtoffer. Ook verschenen er naderhand advertenties in de krant over vrouwen die “onterecht” waren kaal geschoren.”
Draag jij je koppie kaal
Voor haar boek sprak Oosterom met omstanders die het kaalscheren meemaakten. Een van de mensen die ze interviewde was Tom Bernsen, die zag hoe zijn buurmeisje Katrien op Bevrijdingsdag in Utrecht werd kaalgeschoren door zijn buren en moeder.
“In de oorlogsjaren was Katrien meerdere keren gespot met een Duitse soldaat aan haar arm”, vertelt Oosterom. Tijdens de bevrijding sleurden haar buren haar het uit huis, rukten haar jurk af, namen haar sieraden mee en schoren haar rode haren af. Daarna zetten ze haar op een kar en werd ze door de stad gereden.
Het katholieke vakbondsgebouw aan de Oude Noord is een van de plekken waar de vrouwen naartoe werden gebracht. “Het is een rond gebouw waardoor het een arena-achtige vorm krijgt. Hier stonden klapstoeltjes klaar waar vrouwen op moesten plaatsnemen terwijl ze voor een publiek werden geschoren.”
Het kaalscheren gebeurde in Utrecht deels op initiatief van buurtbewoners. Maar de Binnenlandse Strijdkrachten, een samenwerkingsverband van verzetsgroepen dat na de bevrijding tijdelijk de orde bewaakte, deed er actief aan mee. “In heel Nederland vonden deze op vrouwen gerichte straffen plaats. Van zeker op 188 locaties kunnen we het met zekerheid zeggen op basis van foto’s en andere bewijsstukken.” In Utrecht gebeurde het op zeker dertig plekken en werden naar schatting 150 vrouwen kaalgeschoren, blijkt uit onderzoek van Oosterom.

Tijdens de oorlog groeide al het idee dat vrouwen die met Duitsers omgaan, na de bevrijding gestraft moesten worden. De verzetskrant Vrij Nederland verspreidde zelfs een kaartje met een foto van een kale vrouw en de tekst: ‘Juffrouw, de mof met wie je vrijt, gaat spoedig aan de haal. Als Nederland is bevrijd, draag jij je koppie kaal.’ Ook werden er liedjes bedacht en gezongen over wat er na de oorlog met deze vrouwen ging gebeuren. In Utrecht ging het liedje rond:
Bij de kazerne op de Croeselaan
Zie je al die meiden met de moffen staan
Als ik ze zie, dan schrijf ik ze op
En krijgen ze een kale kop
Een kale kop
Vrouwenkamp Fort de Bilt
Sommige vrouwen werden ook gearresteerd door diezelfde Binnenlandse Strijdkrachten. “Maar er waren helemaal niet de voorzieningen om deze mensen op te sluiten. Alle gevangenissen zaten op een gegeven moment vol”, zegt historicus Ad van Liempt, auteur van de boeken Na de Bevrijding en De Afrekening. “Dus werden locaties geïmproviseerd: van leegstaande scholen, loodsen tot kippenhokken. Alles werd gebruikt.”
In Utrecht werden onder andere een oud Tivoli gebouw, een oude kazerne aan de Croeselaan en Hotel Paloma als tijdelijke gevangenis ingericht. De vrouwen werden geïnterneerd aan de Plompetorengracht 14-16. Daarna besloot men alle vrouwen over te brengen naar Fort de Bilt.
Fort de Bilt ligt in het oosten van de stad. De weg die erdoorheen loopt, verdeelt het fort in een noord- en een zuidzijde. Aan de zuidzijde, waar nu de marechaussee zit, zat het interneringskamp. Eerst zaten er alleen mannen geïnterneerd; zij verhuisden al snel naar Rhijnauwen. Vanaf september 1945 werd Fort de Bilt een vrouwenkamp met een vrouwelijke kampcommandant: mevrouw Hijink-Rijnders. In 2004 interviewde Stichting Vredeseducatie haar over haar tijd als kampcommandante van het vrouwenkamp.

De achtergronden van de vrouwen in Fort de Bilt liepen uiteen. Onder hen waren overtuigd nationaalsocialisten, zoals Maria Mussert-Witlam, de vrouw én tante van NSB-leider Anton Mussert, en zijn secretaresse Stien van Bilderbeek. Maar er zaten ook vrouwen vast die kampcommandante Hijink “brood-NSB’ers” noemde; mensen die om economische redenen zich bij de NSB aansloten.
Ook zaten er vrouwen die relaties hadden met Duitse militairen, maar ook vrouwen die onterecht waren vastgezet. “Ze arresteerden iedereen die van collaboratie werd verdacht”, zegt Van Liempt. “Daarna onderzochten ze of de verdenking klopte en welke straf passend was.”
De vrouwen kwamen terecht in de Bijzondere Rechtspleging, het rechtssysteem dat na de oorlog werd opgezet om collaborateurs te berechten. De behandeling van zaken kon maanden duren, al dan niet langer. In afwachting van hun proces werden ze in Fort de Bilt beziggehouden. In de barakken breiden ze babypakjes en wikkelden ze koperdraad om spoelen van een dynamobedrijf. Anderen werkten buiten het kamp, bijvoorbeeld bij de Iglo Fabriek.
Ook was er een kerkzaal waar, naast de zondagdienst, activiteiten werden georganiseerd. Zo vond er eens een uitvoering van componist Haydn plaats, waarbij de vrouwen zelf meezongen en meespeelden. Er was zelfs een programmaboekje. In plaats van namen stonden daarin hun kampnummers: pianobegeleiding door nummer 39.
Wantoestanden
De omstandigheden in de interneringskampen waren vaak slecht. “Zeker in de eerste drie maanden na de oorlog”, zegt Van Liempt. De kampen werden in korte tijd opgezet, waardoor basisvoorzieningen ontbraken. Kampcommandante Hijink van Fort de Bilt noemde de situatie van het kamp “primitief”. Vrouwen sliepen in barakken op strozakken, later kwamen er wel stapelbedden, en er waren te weinig sanitaire voorzieningen waardoor de vrouwen zich niet fatsoenlijk konden wassen. Door de nasleep van de Hongerwinter was er ook nog eens een voedseltekort. De vrouwen kregen aan het begin maar 1.200 calorieën per dag, terwijl een normale inname rond de 2.000 ligt.
Er deden zich ook ernstigere misstanden voor in de interneringskampen. Over Fort de Bilt valt dat moeilijk vast te stellen, omdat er nog weinig onderzoek naar is gedaan. Er zijn enkele incidenten bekend. Kampcommandante Hijink vertelde dat ze had gezien hoe een vrouw door een bewaker aan haar haren door de gang werd gesleurd, waarna ze hem direct ontsloeg. En in het oude personeelsdossier van het vrouwenkamp zit een proces-verbaal over een mannelijke bewaker die een vrouw, nummer 712, “tegemoet kwam lopen en haar heeft gezoend”. Deze bewaker kreeg slechts een schorsing van vier dagen, met inhouding van loon.
Uit andere Nederlandse kampen valt echter wel een beeld te schetsen van wat zich daar heeft afgespeeld. De bewaking van de kampen was in handen van de Binnenlandse Strijdkrachten. “En als je collaborateurs laat opsluiten en bewaken door hun ergste vijanden, dan weet je dat het misgaat”, zegt Van Liempt. “Er waren kampen waar men zich aan de regels hield, maar ik beschik inmiddels over talloze voorbeelden van incidenten waarvoor je je kapot moet schamen.”
In meerdere kampen pasten bewakers “Duitse methodes” toe: gevangenen werden uitgehongerd, verwaarloosd en mishandeld. Ook seksueel geweld kwam voor. “Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar deze seksuele vergrijpen”, zegt Van Liempt. “Maar dat ze hebben plaatsgevonden, staat vast.”
Uiteindelijk werden veel vrouwen vrijgelaten en in november 1946 kwam er officieel een einde aan het vrouwenkamp. De vrouwen die nog vastzaten, gingen naar kamp De Roskam in Weesp. Voor degenen die weer vrij waren, was het leven oppakken niet makkelijk. “Veel vrouwen hebben een trauma opgelopen aan deze periode”, vertelt Rianne Oosterom. Daarnaast blijft kaalscheren een beladen onderwerp dat “op geen enkele manier te rechtvaardigen is. Het was een heftige straf die buitengerechtelijk werd uitgevoerd. Veel vrouwen hebben een vorm van posttraumatische stress aan overgehouden. Zulke trauma’s hebben ook effect op de generatie erna.”
Dit artikel is geschreven voor het project ’80 jaar bevrijding’. In 2025 staan we stil bij bijzondere Utrechtse oorlogsverhalen. De verhalen zijn ook te beluisteren in onze podcast ‘Utrecht ten tijde van oorlog’ via Spotify en Apple Podcasts.
Het verhaal over de moffenmeiden is vanaf vrijdag 17 oktober ook uitgebreid te horen in de nieuwe aflevering Utrecht ten Tijde van Oorlog. De podcast is een productie van HUB Utrecht, in samenwerking met DUIC, UStad, Stichting Journallab de gemeente Utrecht en het Mediafonds Provincie Utrecht.



