Victor Frederik onderzoekt alle 193 leerlingen van de voormalig Joodse School: “Ieder kind moet een verhaal krijgen.”
Tijdens de Tweede Wereldoorlog mogen Joodse kinderen niet meer naar hun eigen school. In de wijk Ondiep wordt daarom in 1941 een Joodse school opgericht. Van de 193 ingeschreven leerlingen overleeft twee derde de oorlog niet. Victor Frederik (73) onderzoekt wie zij waren.

Door: Karlijn ten Cate
Eén van de oud-leerlingen is Rivka Lindeman. Op 89-jarige leeftijd is zij vanuit Israël naar Utrecht gereisd om de voormalige Joodse school te bezoeken. Het gebouw waar de school destijds gevestigd was, staat er nog steeds: een imposant pand, ingeklemd tussen de huizen van de voormalige arbeiderswijk Ondiep. Tegenwoordig zit er in het gebouw een andere school: de Taalschool voor nieuwkomers in Utrecht.
Voor Rivka is het meer dan tachtig jaar geleden dat ze voor het laatst de school binnenliep. In 1947 vertrok ze, toen tien jaar oud, samen met haar vader, moeder en jongere zusje naar Israël. Rivka spreekt nog Nederlands, al klinkt het wat ouderwets en is ze soms zoekende naar woorden. Wanneer we haar spreken, heeft ze net een rondleiding door de school gekregen. “We hebben net hele mooie foto’s van vroeger gezien”, zegt ze.
Oorlogsdagboek
Rivka heeft een speciale band met de school. Haar vader Hens Lindeman was daar leraar natuur- en wiskunde. En toevallig kende Victor Frederik hem ook goed. Hens was een oud-collega van zijn vader en kwam vroeger vaak bij hen over de vloer. “We noemden hem ook wel ‘oom Hens’”, vertelt Victor.
Het contact tussen de families verwaterde. Totdat Victors broer hem in 2021 mailde dat hij online een oorlogsdagboek van Hens had gevonden. Victor werd gegrepen door het dagboek. “Stapje voor stapje beschreef Hens de situatie van de Joden, die door de maatregelen steeds erger werd,” zegt hij. Het liet hem niet meer los. Via het museum dat het dagboek online zette, kwam hij in contact met Rivka. Er volgde een bezoek aan haar in Israël. Terug in Nederland gaf hij het dagboek van Hens Lindeman uit, onder de titel Les in oorlogstijd. Het was het begin van zijn onderzoek naar de levens van alle 193 leerlingen.

Ondiep 63
Snel nadat Nederland in 1940 werd bezet, volgden de eerste anti-Joodse maatregelen. Deze sloten Joden steeds verder uit van het dagelijks leven. In 1941 kwam de maatregel dat Joodse kinderen niet langer op openbare scholen les mochten krijgen, en Joodse leraren daar niet langer les mochten geven. Dat gold ook voor Hens. Hij was leraar op een reguliere school en werd daar ontslagen. De enige manier voor hem om te blijven lesgeven, was op een Joodse school.
Tot dan toe had Utrecht geen school speciaal voor Joodse kinderen. Er moest dus een locatie komen waar zowel basis- als middelbare Joodse scholieren les konden krijgen. Dat werd het gebouw aan Ondiep 63. Er zat toen al een andere basisschool in het gebouw, maar er was nog ruimte over. De twee scholen werden door middel van schotten van elkaar gescheiden.
“Eén derde van de 193 leerlingen waren Duitse kinderen, die na de Kristallnacht in 1938 naar Nederland vluchtten,” zegt Victor. De overige twee derde bestond uit Utrechtse kinderen, of kinderen uit dorpen in de omgeving van Utrecht.
Rivka was zes toen ze in 1942 voor het eerst naar school ging. Ze herinnert zich niets meer van de school zelf, maar wel hoe ze er samen met haar vader naartoe ging: “we gingen eerst met de bus en daarna moesten we nog een eindje lopen. Ik weet nog dat ik een keer helemaal was natgeregend.”

Iedere dag verdween iemand
Naarmate de oorlog vorderde, beperkten de maatregelen het dagelijks leven van Joden steeds meer. Zo mochten ze geen gebruik meer maken van de bus of de fiets. Voor veel leerlingen betekende dit dat ze enorme afstanden moesten lopen om naar school te kunnen. “Dus bleven steeds meer kinderen thuis”, zegt Victor.
Het aantal leerlingen nam verder af toen in 1942 de eerste deportaties begonnen. Utrechtse Joden moesten zich melden bij het Maliebaanstation. Vanaf daar gingen ze naar Westerbork en daarna met de trein naar het oosten.
“Iedere dag verdween er iemand”, zegt Rivka. Zo ook haar vriendinnetje. “Ze vertelde dat ze op vakantie naar Polen ging. Toen ik dat hoorde ging ik huilend naar huis en zei dat ik ook op vakantie naar Polen wilde.”
Nauwelijks nog leerlingen
Het bestaan van de Joodse school kwam steeds meer onder druk te staan. De openbare basisschool waarmee het gebouw werd gedeeld, kreeg een NSB-schoolhoofd. Die klaagde bij de gemeente dat de kinderen “te veel lawaai maakten”, zegt Victor.
De school moest weg en verhuisde in 1943 naar de synagoge aan de Springweg. Maar er waren toen nog nauwelijks leerlingen over. “In anderhalf jaar tijd ging het leerlingenaantal van 193 naar 8”, zegt Victor. Maar zelfs die 8 is betwist. “Tegen die tijd waren alle leraren al ondergedoken of vermoord.” In april 1943 was er geen Joodse school meer in Utrecht.
Door Hens zijn werk als leraar had de familie Lindeman een sperre, “een vrijstelling van deportatie”, zegt Victor. “Daardoor waren ze nog relatief veilig, maar hens stak ook een beetje zijn kop in het zand.” Toen ze in 1943 toch een deportatie brief kregen, was er eigenlijk geen tijd meer om een onderduikadres te regelen.
Rivka weet nog hoe haar moeder “bezig was met het naaien van onze namen in onze kledingstukken.” Dat moest voordat je je meldde bij een kamp. Maar één dag voordat de familie zou vertrekken, belde een oude studievriend van Hens hem op: ze konden bij hem onderduiken. Rivka werd ondergebracht bij een beweging van Utrechtse studenten. Hierdoor overleefde de familie Lindeman de oorlog.

De namen in leven houden
Elk kind krijgt een verhaal op Victors website joodseschoolutrecht.nl. Inmiddels staan er 113 verhalen online, waaronder dat van Rivka. Hij heeft veel voor haar betekent in het onderzoeken van haar oorlogsverleden: “Victor is briljant want hij weet van alles”, zegt ze.
Wat beweegt hem om de verhalen van deze leerlingen te vertellen? “Er is een klassenfoto uit 1941”, vertelt hij. De foto is gemaakt voor het schoolgebouw. Er staan leerlingen op en achteraan staan een aantal leraren, waaronder Hens. “Als ik al die kopjes zie, wetende dat twee derde van hen anderhalf jaar later is vermoord, dan word ik gek”, zegt hij zichtbaar geëmotioneerd.
Victor vertelt dat je in de Joodse traditie twee keer sterft: wanneer je leven stopt en wanneer je naam niet meer wordt genoemd. “De levens van de kinderen zijn gestopt, maar hun namen kan ik in leven houden.”
Dit artikel is geschreven voor het project ’80 jaar bevrijding’. In 2025 staan we stil bij bijzondere Utrechtse oorlogsverhalen. De verhalen zijn ook te beluisteren in onze podcast ‘Utrecht ten tijde van oorlog’ via Spotify en Apple Podcasts. Dit verhaal is een productie van HUB Utrecht, in samenwerking met DUIC, UStad, Stichting Journallab de gemeente Utrecht en het Mediafonds Provincie Utrecht.
