Utrechtse jongeren bezwijken onder druk van school: ‘Ze worden echt ziek’
Meer dan de helft van de Utrechtse jongeren ervaart regelmatig druk, een percentage dat beduidend hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Bovendien beoordeelt slechts de helft van de Utrechtse jongvolwassenen hun eigen mentale gezondheid als goed. In de nieuwe serie ‘Generatie Druk’ van HUB Utrecht wordt iedere aflevering een ander aspect van de druk op de Utrechtse jeugd belicht.
De druk die scholieren in het voortgezet onderwijs ervaren, is de afgelopen twintig jaar hard gestegen. Waar in 2001 ‘slechts’ 16 procent van de jongeren aangaf prestatiedruk op school te voelen, is dat in 2023 opgelopen tot maar liefst 45 procent, zo stelt het Trimbos-Instituut. De Gezondheidsmonitor 2024 van de gemeente Utrecht laat zien dat dit probleem in Utrecht nog groter is: bijna twee derde van de jongvolwassenen geeft aan regelmatig of vaak prestatiedruk te ervaren. Het gevolg: jongeren kampen met zowel mentale als fysieke klachten en vallen soms zelfs langdurig uit van school. Zo ook de Utrechtse Tessa (16): “Ik ken echt niemand die hier geen last van heeft.”
De VO-raad en het LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren) trokken afgelopen jaren meermaals aan de bel in Den Haag. “Je hebt elk jaar een uitvraag naar het mentale welzijn van jongeren en leerlingen”, legt Freya Sixma, woordvoerder van de VO-raad, uit. “Eigenlijk kwam daar rapport na rapport hetzelfde uit: het gaat niet goed, daar moet wat aan gedaan worden.”
De druk die leerlingen ervaren, neemt toe met leeftijd en schoolniveau. Vooral havo- en vwo-leerlingen springen eruit. Het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) ziet de toegenomen toets- en prestatiedruk zelfs als een van de hoofdoorzaken van de afgenomen mentale gezondheid van jongeren. Sinds dit jaar zette het LAKS daarom, naast de jaarlijkse klachtenlijn voor de eindexamens, een zogenoemde ‘stresslijn’ op. Wanneer scholieren tegen hoge toetsdruk aanliepen, konden ze via die lijn terecht bij samenwerkingspartner ‘In je bol’ voor ondersteuning.
Ziek van de stress
Ook bij PPI Utrecht, onderdeel van Stichting Jongerenwerk Utrecht, melden steeds meer jongeren zich die onder de hoge schooldruk bezwijken. “Leerlingen worden echt ziek”, vertelt Ilir Shehu, onderwijshulpverlener bij PPI. Bij PPI kunnen Utrechtse jongeren terecht voor hulp op het gebied van zowel studievaardigheden als psychosociale vaardigheden. Jaarlijks begeleiden zij zo’n tachtig Utrechtse scholieren. “We zien jongeren met buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, ze slapen slecht en verliezen het plezier in school.”
Collega Veronique Groen, ook onderwijshulpverlener bij PPI, voegt toe: “Ik ervaar tegenwoordig veel meer dan vroeger dat jongeren zelf merken van, jeetje, ik moet zoveel. Die toetsen én die cijfers én mijn ouders verwachten wat.” Groen ziet vaak hoe jongeren door de druk in zichzelf gekeerd raken.
In sommige gevallen loopt de prestatiedruk zo hoog op, dat jongeren voor langere tijd thuis komen te zitten. Groen: “Ik ben zelf acht jaar geleden begonnen bij PPI. Ik merkte toen ook al dat de jongeren uitvielen van school. Toen zijn we een groep op gaan richten voor thuiszittende jongeren.”
Vermijden
De prestatiedruk uit zich volgens Shehu bij meisjes beduidend anders dan bij jongens. “Vooral bij meisjes zie je vaak dat het zich wat meer uit in de vorm van paniekaanvallen.” Jongens blijken zich meer terug te trekken. “Die trekken dan bijvoorbeeld naar het gamen, of over het algemeen in hun telefoon.” Die vermijding van alles wat bijdraagt aan die druk, ziet Shehu veel bij jongeren. “Ze denken dan: als ik niet leer voor mijn toetsen, dan is het ook niet per se een verrassing dat ik hem niet haal, dus dan is de klap ook zachter.”
Ook Romy Mondeel, beleidsmedewerker bij het LAKS, ziet het ontwijkende gedrag als een veelvoorkomend verschijnsel bij jongeren die hoge druk ervaren. “Dan gaan ze zich bijvoorbeeld ziek melden voor toetsmomenten. Vervolgens stapelen de inhaalmomenten op, wat alleen maar meer stress bezorgt. Je ziet zelfs dat ouders zo’n ziekmelding dan goedkeuren.”
‘Ik wilde gewoon bewijzen dat ik het kon’
Ook de Utrechtse Tessa (16) viel in de tweede klas van de middelbare school uit door de hoge druk die zij ervoer. “Dat kwam vooral vanuit mijzelf”, legt Tessa uit. “Ik heb dyslexie en daardoor vond ik dingen moeilijker qua lezen en schrijven. Dus ik wilde dat een beetje compenseren door goed in rekenen te worden. En ik wilde gewoon laten zien dat ik het wel kon.” Al op de basisschool begon bij Tessa prestatiedruk op te spelen. Voor een havo-schooladvies moest ze hoog weten te scoren op de Cito-toets. “Je moet het dan allemaal laten zien.”
Voordat Tessa in de tweede klas uitviel, brak de stress haar al langere tijd stukje bij beetje op. “Altijd voor een toets had ik hoofdpijn. Ik heb een periode gehad dat ik gewoon elke dag op school hoofdpijn had. Op een gegeven moment kreeg ik ook buikpijn erbij.” Tessa begon zich ook mentaal steeds slechter te voelen. Voor sociale activiteiten had ze geen energie meer. “Na school was ik helemaal op.” Op de vraag of dit ook bij veel leeftijdsgenoten speelt, reageert Tessa resoluut: “Ik ken echt niemand die hier geen last van heeft.”
Prestatiemachines
Mondeel: “We vragen natuurlijk eigenlijk al vanaf groep drie aan leerlingen om zich te bewijzen.” Dat gebeurt in allerlei vormen. “Dat kan met cijfers zijn, maar ook bijvoorbeeld met een CITO-toets of een doorstroomtoets.” Kinderen worden langzamerhand omgebouwd tot ware ‘prestatiemachines’, legt Mondeel uit. Wanneer zij met docenten in gesprek gaat, bespeurt ze vaak een bepaalde hypocrisie: “Dan zeggen ze ja, we toetsen maar voor een cijfer. Want als het niet voor een cijfer is, dan doen ze niet hun best. En dan denk ik, ja, omdat wij die leerlingen nou precies zo hebben gemaakt. Dat is waarom ze zo werken.”
Ouders spelen een cruciale rol in het opbouwen van de druk op hun kinderen. Via Magister of andere onderwijsplatforms kunnen ouders alles van hun kinderen bijhouden: van cijfers tot aanwezigheid. “Ik merk dat ouders gewoon heel graag goede resultaten willen zien. En ze hebben natuurlijk continu zicht op de data van hun kind”, vertelt Mondeel vanuit haar ervaring als docent.
Ook de VO-raad ziet een opdracht voor ouders in samenwerking met scholen. Sixma: “We leven in een ‘maakmaatschappij’ waarin, als je maar goed genoeg je best doet, je ‘alles kan worden’. Maar als je dat de hele dag hoort en het lukt toch niet, dan doet dat wat met de leerling. Als school en als ouder is het goed om je hier bewust van te zijn.”
Ilir Shehu ziet bij PPI Utrecht ook een duidelijke trend als het gaat om de betrokkenheid van ouders: “Ouders zitten er wat dat betreft meer bovenop dan ooit.” Volgens Shehu werkt dat averechts. Meer loslaten en juist ondersteunen waar nodig, zou jongeren meer baten. “En soms is het ook goed om ze gewoon onderuit te laten gaan, zodat ze ervan leren.”
Leren leren
De hoge druk die leerlingen ervaren wanneer ze op de middelbare school terechtkomen, is volgens onderwijshulpverlener Groen een logisch gevolg van de grote overgang en het gebrek aan voorbereiding vanaf de basisschool. “De hersenen zijn daar gewoon nog niet klaar voor, om te kunnen plannen, om het overzicht te hebben”, legt ze uit. “De basisschool is zo’n warm nest. Op de middelbare school wordt er gewoon veel meer van je verwacht.”
Bij PPI Utrecht krijgen jongeren daarom extra training op het gebied van executieve vaardigheden. Dat zijn vaardigheden die hard nodig zijn om de middelbare school door te komen, zoals het oefenen met werkgeheugen, planning en prioriteiten stellen. In de vorm van spelletjes, waarbij leerlingen woordenreeksen moeten onthouden, werken de hulpverleners dan samen met de jongeren aan het ‘leren leren’.
Shehu voegt toe: “Thuis komen ze in een soort fixatie over hoe het gaat, dus er is continu strijd. Op school krijg je iedere keer op je kop. En wij proberen het wat luchtig te houden door spelletjes te doen.”

Erover praten
Bij PPI Utrecht kunnen jongeren ook in hun eigen tijd terecht. Vaste persoonlijke begeleiders gaan met de jongeren in gesprek. Sommige jongeren praten gemakkelijk over de druk die ze ervaren, legt Shehu uit. “Je hebt soms leerlingen die het prima zelf snappen wat er gebeurt, die zelf heel duidelijk kunnen voelen wat stress is. Maar we komen ook jongeren tegen die eigenlijk niet eens de signalen van stress voor zichzelf kunnen benoemen.”
Ook Tessa ging met een persoonlijk begeleider in gesprek bij PPI. “Ik leerde om het overzicht weer te krijgen, en om te plannen. Maar we hadden het ook veel over mijn zelfbeeld.” Bij een persoonlijk begeleider kon Tessa iedere week haar ei kwijt. “Dat was heel fijn, dat je even al je dingen eruit kon gooien.”
‘Ik heb mijn mentor misschien twee keer gesproken’
Op school, daarentegen, ontbreekt zo’n luisterend oor nog vaak. Sterker nog, volgens Mondeel van het LAKS wordt de prestatiedruk die jongeren ervaren niet altijd heel serieus genomen. “Wat we nu met de stresslijn heel veel binnenkrijgen, zijn reacties van mensen van 40, 50, 60, 70 jaar die zeggen van ja, vroeger was het ook druk en ze moeten zich niet zo aanstellen.” Als samenleving lijkt het nog moeilijk te accepteren, zegt Mondeel, dat leerlingen daadwerkelijk bezwijken onder druk.
Ook de 16-jarige Tessa kreeg vanuit school minder steun dan gehoopt, toen ze uitviel omdat ze overspannen raakte. “Als je dan aan het begin van school komt, het eerste jaar, dan zeggen ze: ‘We gaan je echt helpen’.” Dat viel uiteindelijk ‘vies tegen’, zegt de Utrechtse. “Ik heb bijvoorbeeld gewoon nooit meer iets gehoord van mijn mentor. Ook dit jaar heb ik mijn mentor misschien twee keer gesproken.”
Meer persoonlijk contact
Juist als het gaat om dat persoonlijke contact en een luisterend oor, valt er veel winst te behalen bij scholen. Een leerlingenraad, bijvoorbeeld, is volgens Mondeel van het LAKS nu juist zo belangrijk. “Het geldt voor bijna elke school dat er eigenlijk niet goed wordt geluisterd naar de leerlingenraad. Of dat die niet goed is georganiseerd.” Door in gesprek te gaan met leerlingen en dat heel serieus te nemen, kan dat al voor een groot deel worden ondervangen, denkt Mondeel.
Dat persoonlijke contact is ook wat de onderwijshulpverleners van PPI Utrecht als een belangrijke verantwoordelijkheid voor scholen zien. Groen: “Het werkt als een mentor bijvoorbeeld ziet: oh, deze jongen is wat vaker ziek, ik bel hem even op.” Ook kleinere klassen, waarbij meer contact met een mentor is, zouden drukverlagend werken. “Dan denk ik dat een kind ook minder snel onderuitgaat, want hij weet je te vinden”, legt Groen uit.
Op sommige Utrechtse scholen heeft de mogelijkheid tot meer persoonlijk contact de afgelopen jaren wel al meer vorm gekregen, ziet Shehu. “Steeds vaker hebben ze wel een soort pedagogische medewerker op school rondlopen.” Bovendien hebben veel scholen in de gemeente Utrecht nu ook iets wat doorgaans een ‘trajectklas’ wordt genoemd, legt Shehu uit. “Dat is een soort ontprikkelingsklas waar extra ondersteuning bij aanwezig is. Dat zijn dingen waar ik wel echt hele positieve ervaringen over hoor.”
Mentaal kapitaal
Om scholen handvatten te bieden in het voorkomen van uitval door stress en prestatiedruk bij leerlingen, ontwikkelde de Regionale Kenniswerkplaats Jeugd en Gezin Centraal een wegwijzer: Mentaal Kapitaal. Margot Peeters is hoofddocent en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht en leidde als kerngroeplid van de kenniswerkplaats dit project. “Er kwamen heel veel geluiden van scholen dat ze de weg kwijt waren. Ze willen het welzijn van kinderen wel bevorderen, maar weten eigenlijk niet waar te beginnen.”
Peeters is samen met collega’s in gesprek gegaan op scholen in de regio Utrecht, met onderwijsprofessionals, leerlingen en adviseurs van de GGD. Op basis van die gesprekken is de wegwijzer samengesteld. Ook hierin werd bevestigd: persoonlijk contact tussen leerlingen, ouders en docenten is een belangrijk goed. “Je moet niet pas contact gaan leggen als er al problemen zijn, maar eigenlijk daarvoor al een goede band aangaan. Dan kun je makkelijker schakelen als problemen zich voordoen.”
Om dat voor elkaar te krijgen, moeten de aanpassingen in het dagelijks handelen van de docenten worden verwerkt, legt Peeters uit. “Dus alleen een workshop hier of een leerreeks daar, dat is eigenlijk meer pleisters plakken.”
Er is veel interesse in de wegwijzer, maar voor veel Utrechtse scholen blijkt de tijd die het implementeren ervan inneemt een beperkende factor. “Je ziet gewoon in het Nederlandse systeem dat we een gebrek hebben aan goed geschoolde mensen en geld om het mogelijk te maken scholen hierin te helpen.” Daar ligt een taak voor de overheid.
Cijfersysteem op de schop?
Een groot discussiepunt dat maatschappijbreed is ontstaan rondom de hoge prestatiedruk onder scholieren, gaat over de houdbaarheid van het traditionele schoolsysteem. Is het inmiddels tijd voor een radicale omslag van het stelsel?
“Toetsen hoeft echt niet altijd met een cijfer, zodat het allemaal wat minder datagedreven is”, stelt Mondeel van het LAKS. Ook de VO-raad ziet mogelijkheden in het idee dat scholen afstand van het traditionele cijfersysteem doen. Sixma: “Toetsen zijn er omdat ze een functie hebben. En stress en druk is soms heel gezond. Maar tot een bepaalde hoogte. Als leerlingen depressief worden, dan is er een grens voorbij.”
Alternatieven zijn er genoeg, en die worden op verschillende scholen al geïmplementeerd, vertelt Sixma. “Je ziet dat sommige scholen bijvoorbeeld een cijferloze onderbouw hebben, of proberen om formatief te handelen. En daar komen ook positieve resultaten uit vandaan.” Voorbeelden van scholen in Utrecht die het over een andere boeg gooien, zijn het Limus College in Vleuten en het X11 aan de Vondellaan. Op die scholen wordt veel lestheorie omgezet naar praktijkgerichte projecten.
Moeten we dan helemaal van de cijfers af? Nee, zegt Sixma, want het kan soms juist prima werken. Ook Shehu bij PPI ziet dat scholen met ‘de traditionele structuur’ soms juist precies bieden wat een leerling nodig heeft. “Je ziet dat scholen die meer aandacht hebben voor de executieve functies het wat beter doen. Dan kom je vaak toch uit bij de vormen van onderwijs waarbij meer uit boeken geleerd wordt, minder digitaal.”
Rol van Den Haag
De belangrijkste winst in het verminderen van prestatiedruk onder scholieren valt volgens alle partijen toch echt te behalen bij het verbeteren van persoonlijke begeleiding en contact. Volgens de VO-raad en het LAKS zijn er vanuit de overheid veranderingen in wetgeving nodig.
Mondeel van het LAKS: “We vragen Den Haag om erop te hameren dat docenten en scholen meer gaan kijken naar evaluatie en begeleiding van de leerling.” Volgens Sixma van de VO-raad is meer samenwerking tussen zorg en onderwijs nodig: “Dat kan nu niet doordat wetgeving en regels ervoor zorgen dat geld uit de zorg niet bij het onderwijs kan worden ingezet en vice versa.”
Inmiddels ontstaat er beweging in Den Haag: eind mei bracht de Onderzoeksraad op verzoek van de Tweede Kamer het rapport ‘Kijk anders naar toetsing’ uit. Hierin adviseert de raad de overheid en scholen om toetsen minder vaak te laten meetellen voor selectie, toelating of een rapportcijfer. Toetsing zou volgens hen vooral moeten dienen als feedback voor het onderwijsleerproces, in plaats van een ‘stok achter de deur’ die onnodige stress veroorzaakt.



