‘Je moet geld verdienen én grote spieren kweken’: Hoe krijgt de manosfeer grip op Utrechtse jongens?
Stoer zijn, rijk worden, spieren kweken en vooral niet te kwetsbaar zijn. Online krijgen jongens volop voorgeschoteld hoe een ‘echte man’ zich zou moeten gedragen. Docenten zien ondertussen vaker seksistische en homonegatieve opmerkingen in de klas en maken zich daar zorgen over. Utrechtse organisaties zoeken nu naar manieren om op deze ontwikkeling te reageren. In dit artikel van ‘Generatie Druk’ duiken we in de zogenoemde ‘manosfeer’: waarom zijn sommige jongens er vatbaar voor, hoe schadelijk is die wereld eigenlijk en wat kunnen Utrechtse scholen daartegenover zetten?
Stel: je bent zestien, woont in Utrecht en probeert, zoals zoveel pubers, uit te vogelen wie je bent en hoe je erbij hoort. Op Instagram zie je gespierde lichamen en leeftijdsgenoten die wél een relatie hebben. ’s Avonds zoek je op TikTok of YouTube naar filmpjes over fitness. Al snel verschijnen ook video’s over discipline, geld verdienen en succes bij vrouwen. Sommige makers gaan verder. Zij vertellen je dat jouw onzekerheid niet alleen aan jou ligt: mannen zouden hun positie verliezen, vrouwen zouden te veel macht hebben gekregen en de maatschappij zou jongens niet meer begrijpen. Hun oplossing klinkt eenvoudig: word sterker, rijker, harder en dominanter. Als zulke boodschappen steeds opnieuw tussen je filmpjes verschijnen, kunnen ze steeds gewoner gaan klinken. Welkom in de online wereld die de ‘manosfeer’ wordt genoemd.
De manosfeer is een verzamelnaam voor online groepen en influencers rond mannelijkheid, relaties en de positie van mannen. Sommige richten zich vooral op daten of zelfverbetering, andere verspreiden het idee dat mannen worden achtergesteld door vrouwen of het feminisme. Daaronder vallen bijvoorbeeld incels, die hun gebrek aan relaties of seks soms aan vrouwen wijten, pick-up artists die mannen leren hoe ze vrouwen kunnen versieren, en zogenoemde red pill-groepen. Die laatste term komt uit de film The Matrix en staat voor het idee dat mannen moeten ‘ontwaken’ en zouden gaan zien hoe de maatschappij volgens hen werkelijk werkt.
Niet iedere video over fitness, geld of mannelijkheid hoort daar meteen bij. Juist dat maakt de grens lastig: onschuldige content over zelfverbetering kan naast filmpjes verschijnen over relaties, succes en hoe een man zich volgens bepaalde influencers zou moeten gedragen. Wat iemand zelf aanklikt en wat er thuis, op school en onder vrienden speelt, telt daarbij ook mee.

Docenten zien het klaslokaal veranderen
Hoeveel jongens daadwerkelijk sterk door de manosfeer worden beïnvloed, is moeilijk te zeggen. Stichting School & Veiligheid onderzocht wel wat onderwijsprofessionals zelf op school waarnemen. Hieruit blijkt dat vooral op middelbare scholen de zorgen groot zijn: 73 procent van de ondervraagde medewerkers maakt zich weleens zorgen over de invloed van de manosfeer, 7 procent zelfs ernstig.
Docenten zien volgens het onderzoek dat onderwerpen als rijk worden, ondernemen, fitness, succes en status vaker terugkomen onder jongens. Die interesses zijn op zichzelf niet problematisch, benadrukt Martje Heerkens van Stichting School & Veiligheid. Dat kan wel veranderen wanneer ze samengaan met negatieve ideeën over anderen, controle over met wie een vriendin omgaat of seksistische en denigrerende grappen. Ook ziet 86 procent van de ondervraagde onderwijsprofessionals dat jongens elkaar beïnvloeden om zich op een bepaalde ‘mannelijke’ manier te gedragen.
Opvallend is bovendien dat het volgens docenten vaak niet om een hele klas gaat. Regelmatig zijn het enkele leerlingen of een klein groepje dat stevige uitspraken doet. Toch zegt bijna de helft van de docenten dat juist deze leerlingen een behoorlijke sociale status hebben en daarmee de sfeer in de klas kunnen bepalen.
Belangrijk is wel dat het onderzoek meet wat onderwijsprofessionals waarnemen en niet rechtstreeks wat jongeren zelf denken of online bekijken. “Mensen kunnen natuurlijk deep down the rabbit hole zitten, terwijl ze heel stil zijn in de klas”, zegt Heerkens. Volgens de meeste respondenten gaat het vaak om een groepje jongens binnen een klas. “Maar dat groepje kan wel de sfeer bepalen.”
Dat beeld herkent ook Hessel Schaaf. Via Emancipator werkt hij op middelbare scholen met leerlingen en docenten rond mannelijkheidsnormen. Daarnaast is hij mede-oprichter van Patriarkraakt, een Utrechts initiatief waarbij mannen maandelijks samenkomen om te praten over onderwerpen als woede, vaderschap, seksualiteit en de verwachtingen die aan mannelijkheid hangen. Op scholen ziet Schaaf regelmatig een kleine groep jongens die de toon zet met een vrij harde vorm van mannelijkheid: stoer doen, sterk zijn en vooral niet te kwetsbaar overkomen.
Andere jongens bewegen daar vervolgens omheen: sommigen doen mee, anderen trekken zich terug om geen mikpunt te worden. “Dat is wel de dominante groep en daar moet iedereen zich toe verhouden”, zegt Schaaf.
‘Nee, dat is gay’
Volgens Schaaf begint die druk bovendien veel eerder dan bij een manosfeer influencer als Andrew Tate of TikTok. Jongens leren volgens hem al jong dat mannelijkheid wordt gekoppeld aan sterk zijn, competitie, rationeel handelen en vooral niet te emotioneel zijn. Op de middelbare school kan die druk sterker worden. Wie te veel afwijkt van de dominante norm, loopt het risico als ‘gay’, ‘mietje’ of vrouwelijk te worden weggezet.
Beleidsadviseur Heerkens geeft ook aan dat het eenvoudig is om alleen naar TikTok of YouTube te wijzen als boosdoener. Ideeën over hoe een ‘echte man’ of ‘echte vrouw’ zich hoort te gedragen bestaan ook buiten sociale media. Jongens worden nog altijd gemakkelijk gekoppeld aan competitie, bewijsdrang, voetbal en succes, terwijl meiden vaker worden geassocieerd met zorgzaamheid, rustig en lief zijn. Zulke stereotypen worden volgens haar soms ook onbewust op school gereproduceerd, bijvoorbeeld in lesmateriaal en verwachtingen en reacties van docenten.
Die normen kunnen het voor jongens moeilijk maken om onderling kwetsbaarheid te tonen. Dat ziet Schaaf tijdens workshops terug. Hij vraagt jongens bijvoorbeeld of ze willen dat een vriend naar hen toekomt als die moet huilen. Vrijwel iedereen antwoordt ja. Vervolgens vraagt hij of zij zelf naar diezelfde vriend zouden gaan wanneer ze verdrietig zijn. “Nee, dat is gay”, krijgt hij dan terug. “Zo zie je dat iedereen gevangen zit in die dynamiek”, zegt Schaaf. Individueel willen de jongens best klaarstaan voor een verdrietige vriend, maar tegelijkertijd zijn ze bang zelf kwetsbaarheid te tonen.
Daar ziet hij ook een voedingsbodem voor de aantrekkingskracht van de manosfeer. Wie niet gewend is om met vrienden over onzekerheid, liefde of zijn lichaam te praten, kan online ineens mannen tegenkomen die wél zeggen hoe het allemaal moet. “Je moet gewoon geld verdienen, grote spieren kweken en je eigenwaarde halen uit vrouwen scoren of vrouwen onderdrukken”, omschrijft Schaaf de boodschap. Dat kan aantrekkelijk zijn omdat zo’n antwoord controle lijkt te bieden over iets wat daarvoor chaotisch en onzeker voelde.
Daarmee kan de manosfeer dus niet alleen schadelijk zijn voor vrouwen, meiden of queer personen die het doelwit worden van bepaalde ideeën. Ook jongens zelf kunnen gevangen raken in een ideaal waarin succes, geld, spieren en seksuele status bepalen hoeveel je waard bent, terwijl kwetsbaarheid juist moet worden verborgen.
Homoacceptatie daalt sterk
Twee weken geleden kwam een opvallende ontwikkeling naar buiten. De acceptatie van homoseksualiteit onder Nederlandse jongeren is de afgelopen vier jaar sterk afgenomen. Uit landelijk onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut blijkt dat in 2021 nog 40 procent van de jongens in het voortgezet onderwijs een positieve houding tegenover homoseksualiteit had. In 2025 is dat nog maar 22 procent. Ook onder meiden is een flinke daling zichtbaar: van 78 naar 51 procent.
Dat die daling precies in dezelfde periode plaatsvindt waarin scholen zich meer zorgen maken over online ideeën over mannelijkheid, betekent niet dat het één het ander veroorzaakt. “Dat kun je nog niet één op één zeggen, want daar is nog te weinig onderzoek naar gedaan,” vertelt Susan Meijburg van GGD regio Utrecht. Wel wijst ze erop dat in delen van de manosfeer homonegatieve en transfobe ideeën worden verspreid.
Volgens Meijburg zit achter weerstand tegen lhbtiq+-onderwerpen soms ook bredere onvrede van jongeren die het gevoel hebben dat bepaalde groepen veel aandacht krijgen en zich afvragen waar zij zelf in dat verhaal staan.
Docenten zoeken naar antwoorden
In Utrecht merkt Meijburg ondertussen dat het onderwerp nadrukkelijker op tafel komt. Zij geeft al jaren trainingen over relationele en seksuele vorming en hoort sinds ongeveer een jaar tijdens trainingen met docenten vrijwel altijd over de manosfeer. “In het primair onderwijs komt de manosfeer niet zo direct terug, maar in het voortgezet onderwijs wel”, zegt ze.
Van leraren in de regio Utrecht hoort Meijburg dat zij vaker seksistische opmerkingen en homonegativiteit zien. Docenten vragen haar hoe zij een leerling kunnen bereiken die steeds verder lijkt af te zonderen, hoe zij moeten reageren op seksistische grappen en waar hun verantwoordelijkheid eigenlijk ophoudt. Sommige leraren die eerder onderwerpen als gender en seksuele diversiteit in de klas behandelden, zouden daar inmiddels zelfs voor terugschrikken omdat discussies zo verhit kunnen raken. “Vanuit een soort handelingsverlegenheid gaan ze het gesprek soms uit de weg.”
Voor GGD regio Utrecht zijn die signalen aanleiding voor de nieuwe training ‘Gendergelijkheid en de manosphere’ voor professionals in het voortgezet onderwijs en mbo. Daarin leren zij onder meer hoe online beïnvloeding werkt en waarom sommige jongens er vatbaar voor kunnen zijn. Daarna gaat het vooral om de praktijk: wanneer corrigeer je een leerling, wanneer stel je juist een vraag en hoe voer je daarna nog een gesprek zonder iemand onmiddellijk van je af te duwen?
Want niets doen is volgens Meijburg evenmin neutraal. Wanneer een seksistische opmerking steeds wordt afgedaan met ‘het was maar een grapje’, kan dat gevolgen hebben voor de veiligheid in de klas. Tegelijk vindt ze het belangrijk dat jongens niet meteen zelf als het probleem worden gezien. Wie een leerling direct wegzet als geradicaliseerd, loopt volgens haar het risico hem juist verder te isoleren.
Niet alleen begrenzen
Ook Heerkens ziet daar een belangrijke opdracht voor scholen. Pubers provoceren en zoeken grenzen op. Een docent kan daar nuance tegenover zetten door vragen te stellen en leerlingen uit te dagen na te denken over wat ze zeggen.
Daarbij moet volgens haar vooral worden gekeken naar wat zo’n opmerking met anderen doet. Is een grap voor iedereen grappig? Of gaan leerlingen hun mond houden omdat zij bang zijn voor commentaar? In dat laatste geval is volgens Heerkens de sociale veiligheid geraakt.
Alleen verbieden en corrigeren is volgens de professionals dan ook niet genoeg. Scholen moeten grenzen stellen aan seksisme en discriminatie, maar tegelijkertijd nieuwsgierig blijven naar wat achter bepaald gedrag zit. Onzekerheid over relaties, status, geld of de toekomst verdwijnt immers niet wanneer een docent alleen zegt dat Andrew Tate fout is.
‘Ook de stoere jongens zeggen: mijn vader is mijn voorbeeld, want die is lief’
Schaaf noemt zijn eigen aanpak daarom “zaadjes planten”. Tijdens een workshop vraagt hij jongens bijvoorbeeld wie hun mannelijke voorbeeld is. Ook de stoerste jongens noemen geregeld hun vader. Waarom? “Omdat hij lief is.” Volgens Schaaf horen jongens elkaar daarmee ineens iets zeggen wat binnen de gebruikelijke stoere groepsnorm nauwelijks wordt uitgesproken: lief zijn kan óók mannelijk zijn. “Als wij daar niet waren geweest, dan zeggen ze dat nooit, want dan zijn ze allemaal bang om dat uit te spreken.”
En daarmee komen we terug bij die zestienjarige Utrechter die ’s avonds door zijn telefoon scrolt. De simpele antwoorden zullen online waarschijnlijk blijven bestaan. De vraag is vooral of daar andere antwoorden tegenover staan: op school, thuis en tussen jongens onderling. Niet alleen dat hij géén seksistische grap mag maken, maar ook dat hij onzeker mag zijn. Dat hij verdriet mag hebben. En dat hij niet eerst rijk, gespierd, dominant of succesvol bij vrouwen hoeft te worden om als man en als mens mee te tellen.



