Van straatgevechten tot viral video: hoe sociale media een rol spelen bij geweld onder Utrechtse jongeren
Meer dan de helft van de Utrechtse jongeren ervaart regelmatig druk, een percentage dat beduidend hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Bovendien beoordeelt slechts de helft van de Utrechtse jongvolwassenen hun eigen mentale gezondheid als goed. In de serie ‘Generatie Druk’ van HUB Utrecht wordt iedere aflevering een ander aspect van de druk op de Utrechtse jeugd belicht.
Een vechtpartij op straat stopt allang niet meer wanneer de klappen zijn uitgedeeld. Filmpjes van mishandelingen worden doorgestuurd, online ruzies worden op straat uitgevochten en voor sommige jongeren levert het vernederen van een ander status op. Ook Utrechtse scholieren herkennen het fenomeen. Wat doet die verwevenheid van sociale media en straatgeweld met jongeren?
“Als er iets is gebeurd, vragen mensen vaak of er een filmpje is”, zo vertelt een Utrechtse scholier. Uit recent onderzoek van Pointer bleek dat op maar liefst 62 procent van de middelbare scholen in Nederland de afgelopen twee jaar filmpjes circuleerden waarin jongeren mishandeld of vernederd worden door leeftijdsgenoten. Soms worden de beelden gedeeld om iemand verder te vernederen, soms om indruk te maken op anderen en soms simpelweg voor de sensatie. Onderzoekers spreken van ‘hybride geweld’: geweld waarbij de online en offline wereld met elkaar verweven zijn. En hoewel lang niet iedere jongere ermee in aanraking komt, maken deskundigen zich zorgen over de rol die sociale media bij dit soort geweld kunnen spelen.
‘Het werkt twee kanten op’
Onderzoekster Shanna Mehlbaum voerde namens het onafhankelijke onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap een onderzoek uit naar het zogeheten hybride geweld onder jongeren: geweld dat zowel een offline als een online component bevat. “We hoorden steeds meer voorbeelden van jongeren die mishandeld werden voor de camera, waarbij het delen van zo’n mishandeling ook echt deel uitmaakte van het verder vernederen. Bijvoorbeeld wanneer een video gebruikt werd als een soort afpersingsmiddel.”
Maar niet altijd ontstaat de online component pas na een fysiek conflict. Soms begint het conflict juist online, zo legt Mehlbaum uit. “Je ziet dat het twee kanten op werkt. Soms is er al sprake van een online ruzie, en dan wordt het – vaak ook door omstanders of anderen – aangemoedigd om fysiek uit te gaan vechten. Dan leidt een online ruzie tot fysiek geweld waar dat anders misschien helemaal niet gebeurd zou zijn.”
Deze hybride vorm van geweld ervaart ook jongerenwerker Joost van Rooden van Stichting JOU in de praktijk. “Wij werken veel op scholen. We zien daar vaak gevallen van vechtpartijen waarbij of aan de voorkant, of aan de achterkant, de online wereld een rol heeft gespeeld.”

Jongeren willen niet ‘snitchen’
Duidelijke cijfers over hoeveel jongeren betrokken raken bij geweldsvideo’s zijn er niet. Mehlbaum: “We zagen in het onderzoek dat veel van dit soort incidenten nooit bekend raken bij de politie.” Dat komt niet alleen omdat er veel schaamte rondom heerst, maar ook omdat jongeren bang zijn om het conflict erger te maken. “Jongeren vertellen vaak aan niemand dat dit ze is overkomen, ook niet aan hun ouders. Ze zijn bang dat ze dan als een soort ‘snitch’ (verklikker, red.) worden neergezet en dat het dan erger wordt.”
Wanneer een geweldsincident bijvoorbeeld leidt tot een ernstig gewond slachtoffer of aangifte, wordt de politie uiteraard wel op de hoogte gebracht. “Er is ook wel echt meer bewustzijn voor, ook omdat wijk- en jeugdagenten het steeds vaker tegenkomen in de praktijk.” Naar aanleiding van haar onderzoek en de praktijkvoorbeelden denkt Mehlbaum dan ook dat hybride geweld aan het toenemen is. “En ik verwacht dat je dat op een gegeven moment in de cijfers gaat zien.”
Vechten voor de status
Het fenomeen roept veel vragen op. Vooral het waarom achter de trend prangt. Voor het plegen en vervolgens verspreiden van geweld is uit het onderzoek van Mehlbaum één belangrijke motivatie gebleken: status. “Het daadwerkelijk plegen van fysiek geweld wordt gezien als iets waar je meer status van krijgt dan enkel online beledigen. Door het vervolgens te delen kun je een veel grotere groep mensen bereiken. Waar je voorheen misschien alleen ‘credits’ (respect, red.) kreeg in je eigen groep, kun je nu online aan veel meer mensen laten zien: kijk eens wat ik kan en durf.”
Ook angst om zelf (opnieuw) slachtoffer te worden kan een reden zijn voor jongeren om tot het plegen en filmen van geweld over te gaan. Slachtofferschap en daderschap wisselen elkaar regelmatig af. “Wat wij ook veel zagen was de angst om nog een keer slachtoffer te worden bij jongeren die al eerder slachtoffer zijn geweest. Die draaien dan eigenlijk de rollen om. Ze willen niet opnieuw gekozen worden als ‘de zwakke’ en voelen dus de behoefte om wraak te nemen en dat te filmen en te laten zien.”
Dat status een belangrijke rol speelt, ziet ook Joost van Stichting JOU. “Zeker rond die leeftijd en binnen de groepen die we in het buurthuis hebben. Dan zie je dat status echt wel wat doet.” In geweldsvideo’s komt dat duidelijk terug. “Wanneer er een video gedeeld wordt waarin een jongen een paar goede stoten krijgt, wordt hij toch sneller als een ‘pussy’ neergezet. Terwijl de andere jongen dan als het mannetje wordt neergezet omdat hij het heeft aangericht.”
Van ‘zeg-sorry’ tot kopschoppers
Dat het maken van geweldsvideo’s een belangrijke statuscomponent bevat, is ook goed zichtbaar in de zogenoemde ‘zeg-sorry’-video’s, die lange tijd veel gedeeld werden. Mehlbaum zag dat soort video’s veel terug in haar onderzoek. “We zagen jongeren die gedwongen werden om te knielen en dan ‘sorry koning’ en ‘sorry baas’ zeggen. Dat gaat ook wel eens gepaard met dat zo’n kind zich helemaal uit moet kleden, bijvoorbeeld, of dat hij dan ook nog heel erg geslagen wordt. Of de schoenen moet likken. Bij een ander werd er gedreigd met een vuurwapen.”
Het geweld gaat soms heel ver. “Nog een voorbeeld dat we tegenkwamen was dat van een meisje in de metro van een jaar of 14 dat heel hard geslagen en geschopt wordt. Echt kickboksachtige trappen ook. Een wat meer recent voorbeeld is het kopschoppen, dus dat er heel hard tegen een slachtoffer dat al op de grond zit tegen het hoofd wordt geschopt.”
In haar onderzoek zag Mehlbaum dat er best wat diversiteit bestaat tussen de groepen die geweldsvideo’s maken. “Je hebt echt een soort van rivaliserende jeugdgroepen, maar het kan ook gaan om een groep jongeren die bewust op zoek is naar een wat zwakker slachtoffer.”
Doorsturen ‘voor de leuk’
Geweldsvideo’s worden vaak doorgestuurd, maar als je er zelf niet bij betrokken bent, waarom zou je dat dan eigenlijk doen? Gewoon ‘voor de leuk’? Daar ligt opmerkelijk genoeg wel een deel van het antwoord: amusement.
Dat blijkt onder andere uit een rondvraag van DUIC onder een tiental Utrechtse middelbare scholieren. “Mensen vinden het leuk om te zien. Als er iets is gebeurd, vragen mensen vaak of er een filmpje is”, vertelt een scholier. “Het wordt echt gedeeld voor de sensatie en als een soort ‘nieuwsberichtje’, eigenlijk als een soort lokale schoolkrant.” Een andere scholier geeft aan de filmpjes helemaal niet zo vermakelijk te vinden. “Soms is het ook met bloed en zo, dat vind ik niet grappig om te zien.” Op de vraag of de scholieren zelf weleens iets doorsturen, wordt nadrukkelijk nee geschud.
Ook jongerenwerker Joost ziet dat sensatie een grote rol speelt bij het doorsturen van geweldsvideo’s. “Sommige jongeren vinden het leuk om elkaar online uit te dagen.” Er zit een stukje vermaak in, legt Joost uit. Maar ook normalisering slaat toe. “Hoe meer ze zulke video’s doorgestuurd krijgen, hoe normaler het ook wordt. Het referentiekader is heel anders dan dat wij ons misschien kunnen voorstellen.” Als jongerenwerkers schrikken Joost en zijn collega’s soms van wat ze te zien krijgen. “Dan zeggen collega’s: ‘dat je dat al ziet of aangeboden krijgt’, en dan zeggen de jongeren: ‘ik kan nu nog tien andere filmpjes hiervan opzoeken.’”
Vooral op Snapchat en op TikTok worden geweldsvideo’s vaak verspreid, bleek uit het onderzoek van Mehlbaum. Dat bevestigen ook Utrechtse scholieren bij een globale rondvraag van DUIC.
Kleine groep ziet veel geweld
Wie krijgen die video’s eigenlijk allemaal te zien? Prof. dr. Evelien Hoeben, werkzaam bij de Universiteit Utrecht en het NCSR (een instituut voor criminologisch onderzoek), kijkt in haar huidige onderzoek naar ‘criminogene content’ (media-inhoud waarop crimineel gedrag te zien is) onder jongeren. “We zijn gestart met diepte-interviews en focusgroepen.” Enerzijds sprak het onderzoeksteam met jongeren via het eigen netwerk. “Maar we zijn ook op zoek gegaan naar jongeren die meer risico lopen om betrokken te raken bij criminaliteit, waaronder jongeren die al in contact waren met jongerenwerkorganisaties.” Bovendien is het team een longitudinaal onderzoek onder 1500 jongeren gestart. “Dat betekent dat we meerdere keren een vergelijkbare vragenlijst over criminogene content voorleggen. Met steeds een jaar ertussen.”
Hoewel het onderzoek nog in volle gang is, kan Hoeben voorzichtig wat resultaten delen. “Wat allereerst opvalt is de polarisatie: we zien dat 10 tot 20 procent van de jongeren dagelijks criminogene content voorbij ziet komen. En ook vaak meerdere keren per dag.” Belangrijk om te benoemen is dat het hier gaat om een breder begrip van criminogene content: niet alleen geweldsvideo’s. “Aan de andere kant is er ook een grote groep van 40 tot 60 procent die juist helemaal nooit dat soort content ziet.”
Bij de rondvraag van DUIC op middelbare scholen wordt dit beeld van polarisatie bevestigd: een groot deel van de jongeren geeft aan nooit of nauwelijks met deze video’s in aanraking te komen. “Ik associeer mij ook helemaal niet met die groep”, vertelt een scholier. Joost van Stichting JOU herkent dat ook. “Er zijn natuurlijk ook jongeren die zich totaal niet met die kant van sociale media bezighouden.”
Hoeben vertelt dat het logisch is, dat er zo’n groot verschil tussen groepen jongeren is. “Die polarisatie versterkt door hoe die algoritmes werken achter die platforms. Als je een paar keer filmpjes van gevechten kijkt, dan merkt dat algoritme dat en dat gaat je dan meer filmpjes van gevechten sturen.”
Toleranter voor geweld
Het zien van veel geweldsvideo’s heeft mogelijk effect op het gedrag van jongeren. “Voorlopige bevindingen laten zien dat jongeren die veel criminogene content zien ook meer tolerant zijn ten aanzien van criminaliteit. Die vinden het dus meer oké of verdedigbaar. En diezelfde jongeren plegen ook vaker zelf criminaliteit.” Hoeben benadrukt echter dat het onderzoek nog niet vergevorderd genoeg is om echt te stellen dat het om een oorzaak-gevolg verband gaat: “Het is goed mogelijk dat jongeren die al betrokken zijn bij criminaliteit zelf op zoek gaan naar criminogene content, of er langer naar kijken op hun feed, waardoor het algoritme ze nóg meer laat zien. Dus sociale media vormen niet per se een risicofactor voor crimineel gedrag, het verband kan ook de andere kant op lopen.”
Illegaal of niet?
Volgens Hoeben ligt de verantwoordelijkheid om jongeren te beschermen tegen online geweldsvideo’s bij meerdere partijen. Scholen krijgen daarin een grotere rol: het ministerie van OCW werkt aan een curriculum digitale geletterdheid dat vanaf schooljaar 2027/2028 wordt ingevoerd. “Dat is een belangrijke stap. Leerlingen moeten niet alleen begrijpen hoe de algoritmes van sociale media werken, maar ook leren hoe ze daar zelf invloed op kunnen uitoefenen: door accounts te blokkeren, aan te geven wat ze niet willen zien en hun feed zo bij te sturen. Daarnaast moeten ze leren kritisch te kijken naar wat ze voorbijzien komen: wie plaatst zo’n video, en waarom?”
Ook platforms zelf zouden strenger moeten optreden tegen criminogene content, vindt Hoeben, al is dat wel lastig. “Een deel van die content is an sich niet illegaal. Als je het hebt over naaktbeelden van minderjarigen dan is het heel duidelijk, dan is het illegaal die te verspreiden. Maar het verspreiden van beeldmateriaal van een gevecht tussen (jong)volwassenen is in Nederland momenteel niet strafbaar”, aldus Hoeben.
Rol voor de ouders
Misschien wel de belangrijkste rol ligt volgens Hoeben bij de ouders. “Die staan het dichtst bij hun kind. Zij kunnen inschatten welke individuele risico’s er zijn en daarover in gesprek gaan.” Waar sommige jongeren gevoelig zijn voor onrealistische schoonheidsidealen, zijn anderen juist gevoelig voor hoe ze snel geld kunnen verdienen via illegale middelen, legt Hoeben uit.
Ook Mehlbaum ziet een rol voor ouders. Voor de politie is het opsporen van criminogene content lastig, legt ze uit. “Veel van de beelden of dreigementen vinden plaats in afgeschermde groepen of besloten accounts.” Daarom zit er volgens Mehlbaum meer heil in het goed in verbinding staan met jongeren. “Voor ouders: trek aan de bel als je je zorgen maakt, ook als jouw kind een dader is. Want ook dat is risicovol, omdat we zien dat het dader- en het slachtofferschap afwisselen.” Uit recent onderzoek van EenVandaag onder bijna 1200 ouders bleek dat ruim de helft niet met hun kind spreekt over geweldsvideo’s of andere criminogene content online. Volgens Mehlbaum hebben ouders er weinig zicht op. “Ze denken van: ‘goh, als er iets speelt, vertrouw ik erop dat mijn kind wel naar mij toe komt’, terwijl wij in onze casussen juist zagen dat jongeren dat vaak niet doen. Je moet actief moeite doen om daar meer zicht op te krijgen.”
Laagdrempelig contact
In verbinding staan met jongeren doet Joost op dagelijkse basis bij Stichting JOU. “Door het laagdrempelige contact dat we hebben, laten jongeren ons redelijk toe in hun online leefwereld.” Niet alles wordt altijd maar gedeeld, voegt Joost toe. “Jongeren zijn ook niet gek en bepalen zelf wel tot hoever wij als jongerenwerkers mogen meekijken. Maar we krijgen best wel wat dingen te zien.” Soms spreken jongeren ook hun zorgen uit. “Bijvoorbeeld met landelijke trends, zoals die zeg-sorry-video’s en jumpen (het aanvallen van een willekeurig persoon, red.). Daarover gaan we dan met de jongeren in gesprek.” En dat nauwe contact werpt zijn vruchten af. Bijvoorbeeld toen er onder jongeren online werd opgeroepen om in Utrecht te gaan rellen. “We hadden hier toen jongeren en die zagen die oproepen ook. Zo hebben wij met opschalen met onze partners wel kunnen voorkomen dat dat escaleerde. Dat zijn natuurlijk mooie voorbeelden.”
Daarnaast geeft Joost als jongerenwerker trainingen aan professionals en ouders, over hoe het gesprek aan te gaan. “En ouders moeten we ook zeker uitleggen dat het ook niet allemaal negatief of per se kwalijk is, wat de online wereld met zich meebrengt, dat het ook juist voor kansen en mogelijkheden zorgt. Maar dat je dus wel echt zo vroeg mogelijk als jongere begeleid moet worden in die hele online leefwereld.”



